Wie 's nachts wakker ligt van een langsrazende auto met aangepaste uitlaat, staat in een lange traditie. Al 115 jaar geleden riep de Britse politiecommissaris automobilisten op om het 'onnodig versterken van het volume of timbre van het geluid' te beperken. De klacht was destijds gericht op 'on geschikte apparaten' die het motorgeluid versterkten, een fenomeen dat ook nu nog bekend voorkomt bij gemodificeerde sportauto's.

In het Verenigd Koninkrijk was er in die tijd nauwelijks regulering: alleen het gebruik van een claxon op gevaarlijke punten was verplicht. Dat leidde tot een 'groeiend aantal klachten over de zenuwslopende, schelle geluiden' van de snel groeiende groep automobilisten. Vijf maanden later kwam de eerste echte maatregel: de overheid verbood zogeheten 'cut-outs', apparaten die de uitlaatgassen langs de demper leiden om meer vermogen te genereren. Een 'tamelijk ingrijpende' maatregel, want die schreef feitelijk voor dat alle auto's een demper moesten hebben die het uitlaatgeluid aanzienlijk dempt.

De klachten gingen overigens niet alleen over personenauto's. Het blad merkte destijds op dat er geen beperkingen waren voor 'zwoegende tractiemotoren die de fundamenten van huizen doen schudden' en 'paardenwagens met ijzeren banden'. Toch bleef de aandacht voor het lawaai van auto's groeien. In 1928 werden ruim tienduizend bestuurders vervolgd voor buitensporig geluid, en een parlementslid omschreef verkeerslawaai als 'aanzienlijk lijden veroorzakend en een algemene bedreiging voor de gezondheid'. Een breed samengestelde commissie adviseerde meer regels, wat leidde tot een wet in augustus 1929 die het gebruik van elke auto met 'overmatig geluid' verbood.

De handhaving bleek echter lastig. Lezer EJ Burrow merkte op dat de wet 'een nutteloze absurditeit' dreigde te worden zolang er geen redelijke manier van handhaving was. De politie wist zich geen raad met het onderwerp. Toch werden er eind dat jaar 1282 mensen vervolgd, ondanks dat geluid toen nog niet objectief meetbaar was. Die meetbaarheid kwam in 1937, toen het eerste geluidsmeetapparaat werd getest. Er waren inmiddels twee eenheden: de decibel, een pure meting van mechanische energie, en de foon, die de luidheid voor het menselijk oor weergeeft. Het ministerie van Transport adviseerde dat geen auto harder mocht zijn dan 90 foon, iets meer dan het geluid naast een open raam van een sneltrein. Geteste Wolseley-saloons haalden bij 30 mph in de hoogste versnelling 77 foon, gemeten op achttien voet afstand.

In 1955 kwam er meer regulering, toen autobezit democratiseerde. Elke verbrandingsmotor moest worden uitgerust met een 'demper, expansiekamer of ander geschikt middel' om het uitlaatgeluid redelijk te beperken. Toch bleef het probleem bestaan, zoals een parlementslid in 1959 verwoordde: veel voertuigen zijn 'bijzonder hinderlijk, vooral motorfietsen en sportauto's. Ze maken waarschijnlijk geen overmatig geluid als ze de fabriek verlaten, maar nadat ze naar de smaak van de eigenaar zijn verbeterd, ontstaat een hels lawaai dat volkomen onnodig is.'

De politie van Southend gebruikte in die winter een decibelmeter om de beoordeling objectiever te maken. De drempel voor een waarschuwing of vervolging lag op 95 dB, iets boven het geluidsniveau in een metrotunnel. Het luidste voertuig dat werd gemeten, was een 'berucht lawaaiige sportauto voluit in de tweede versnelling' met 92 dB. Een jaar later werd opnieuw een overheidsrapport over het onderwerp opgesteld. Een parlementslid reageerde spottend: 'Wanneer ik een sportauto met een enorm gebrul door onze straten hoor gaan, voel ik vooral schaamte dat een volwassene zich op zo'n kinderachtige manier probeert te vertonen.'

Het duurde tot 1970 voordat 'overmatig geluid' in de Britse wet objectief werd gedefinieerd, op 87 dB. De discussie over lawaaiige auto's is daarmee net zo oud als de auto zelf, en de maatregelen die in de afgelopen eeuw zijn genomen, hebben de klachten nooit helemaal doen verstommen.

Auteur

Tests

Niels Hoekstra — tests, Rijblik.